*Stiekem een dag later gepost vanuit Mount Isa vanwege gebrek aan Internet. We hebben vrijdag de 13e overleefd!

Lieve allemaal,

Het is weer hoogste tijd voor een verslag(‘je’)… De vorige keer waren we gebleven bij Coober Pedy, de opaalstad. De tweede nacht sliepen we maar niet onder de grond. ’s Avonds zijn we naar de Breakaways geweest, een natuurgebied ten noorden van Coober Pedy. De steensoorten hier hebben verschillende tinten, variërend van wit via geel en oranje naar bruin. Bij zonsondergang komt dit extra mooi naar voren. Voor de rest hebben we Coober Pedy zelf verkend. We zijn een oude mijn ingeweest die bij toeval herontdekt is toen een vader de slaapkamer voor zijn dochter aan het uithakken was. Hij stuitte op de oude mijn en ontdekte per toeval ook een paar opaalpockets. Hij is nu rijk.:) Ook de ondergrondse kerken waren bijzonder, maar wel een beetje klein en bedompt. Na nog een ondergronds hotel bewonderd te hebben vervolgden we onze weg op de Stuart Highway. We sloegen ons kamp op in Marla. Technisch gezien niet eens dorp: het is alleen een roadhouse (=tankstation met accommodatie en voedsel en soms zelfs een zwembad).
Na Marla gingen we weer een grens over: die van SA naar NT (Northern Territory). Inmiddels begonnen we aan benzineprijzen flink te merken dat we in de outback zaten. In plaats van $1,35 zaten we daar rond de $2. Na een lange rit kwamen we aan bij Kings Creek Station. Midden in the Red Centre! De aarde is felrood! Door relatief veel regen de afgelopen 2 jaar is er best wat begroeiing aanwezig. Het zijn dus geen kale rode duinen, maar ze zijn begroeid met een droge grassoort: spinifex! Het ziet er daardoor best gezond uit. Het Station had zelfs écht gras om ons tentje op te zetten. De paarden vonden het ook lekker; we keken wel even vreemd op toen ze naast onze tent stonden te grazen. ’s Avonds lekker fikkie gestookt! We mochten in die droogte zowaar een kampvuur maken. Bizar detail: er was gratis internet maar geen bereik met de telefoon! Jullie zullen wel gemerkt hebben dat internet en telefoon erg schaars is geweest de laatste tijd hier in de outback. Sorry daarvoor!
Donderdag stonden we vroeg op om een hike te doen bij Kings Canyon. We konden helemaal langs de rand van de kloof omhoog lopen en aan de andere kant naar beneden. Onderweg kwamen langs een waterhole en domes van verweerd (oranje) gesteente. Prachtig! Heel bijzonder om te zien en ook wel een andere ervaring om te hiken in die warmte. Het is in de woestijn eigenlijk altijd niet te harden, maar gelukkig is het droge warmte. Daardoor verbrand je super snel en om dat te voorkomen zijn we de hele dag aan het smeren. Helaas bewolkt en zelfs wat drupjes, wat niet afdeed aan de warmte maar helaas wel aan het uitzicht. Alsnog was het heel bijzonder om daar rond te lopen in een soort oase midden in de woestijn. Het was verrassend groen en beneden in de kloof stond zowaar permanent water. Ze noemden dat plekje dan ook de Garden of Eden. We reden verder richting DE landmark van Australië: Uluru, oftewel Ayers Rock. Een roadhouse 80 km ervoor biedt gratis kampeerplaatsen, onze ideale prijs dus.
De volgende ochtend stonden we weer vroeg op om het wonder te aanschouwen. We hadden al gehoord van andere mensen dat het de 2 dagen ervoor had geregend en dat ze dus niet de mooie kleuren bij zonsondergang hadden kunnen zien. We maakten ons dus een beetje zorgen, maar zodra we de tent uitkwamen was de lucht strakblauw. Dat bleef hij ook tot aan Uluru dus het zag er goed uit. Je mag niet kamperen in het nationale park, dus is er een groot resort-dorp uit de grond gestampt aan de rand van het park. Daar hebben we onze tent opgezet en zijn toen doorgereden naar de steen zelf. We hadden hem al op heel veel foto’s gezien natuurlijk, maar als je daar zelf rijdt en hem voor je ziet opdoemen is dat wel even heel erg indrukwekkend. Het weer was goed genoeg om Uluru te beklimmen, en we zagen het ook vrij veel mensen doen. De lokale aboriginals vragen echter om het niet te doen uit respect voor hun heilige gebruiken. De verleiding was enorm, maar we hebben toch besloten om het klimmen dan maar te laten. In plaat daarvan hebben we de ‘Base Walk’ gedaan: in totaal 11 km rondom de basis van de steen waarbij je er af en toe een grot in gaat of er een stukje overheen loopt. Het lijkt een gladde steen, maar van dichtbij ziet het er echt uit als roestende ijzeren platen. Wederom wel even wat anders om in die warmte te lopen, zonder beschutting. We sjouwden dan ook een paar liter water en zonnebrand mee. Na de wandeling hebben we het cultural centre bezocht, waar uitleg gegeven werd over het ontstaan (zullen we jullie niet mee vervelen) en de leefwijze van de lokale aboriginals. Hier lag ook het ‘Sorry-Book’, waarin brieven verzameld werden die mensen in de loop der tijd gestuurd hebben. Veel mensen nemen namelijk stiekem een stukje steen mee en ervaren daarna ineens bizar veel pech. Ze denken dat dit komt door hun disrespect voor Uluru en sturen vervolgens de steen naar het centre met het verzoek hem terug te leggen. Ook veel mensen bieden hun excuses aan voor het beklimmen. Maar goed dat we dat niet gedaan hebben dus. Die avond hebben we ons bij de aanzienlijke hoeveelheid mensen aangesloten die Uluru wilden zien en fotograferen vanaf de speciale ‘Sunset Viewing Area’. Mooi om te zien hoe Uluru verandert van oranje naar rood naar bruin (en zwart).
De volgende ochtend zijn we naar de ‘Sunrise Viewing Area’ gegaan voor een uitzicht aan de andere kant. Let wel: daarvoor zaten we dus om kwart over 5 ’s ochtends al in de auto. We waren een beetje vroeg (lees: het was nog stikdonker en er was niemand anders) dus we hadden nog mooi tijd om een bakkie koffie te maken. Toch best handig om je hele hebben en houden in de auto te hebben. Het was ook verrassend koud (ja we weten dat ze dat altijd zeggen over de woestijn maar we hadden gewoon moeite om ons dat voor te stellen na de vorige dag) dus we stonden daar met jas en bakkie leut te kleumen. Om 6.50 uur kwam uiteindelijk de zon op en hadden we opnieuw een prachtige show. Wel met een stuk minder mensen dan ’s avonds om de een of andere reden. Daarna snel terug naar het resort om te ontbijten en onze tent in te pakken, en daarna naar Kata Tjuta oftewel de Olga’s, ook onderdeel van hetzelfde National Park. Kata Tjuta ligt 50 km verder en betekent in de lokale aboriginal taal ‘veel hoofden’. Het zijn meerdere rotsen, in dezelfde roodbruine kleur maar met een compleet andere samenstelling. Ze zijn hoger, meer bijzonder qua opbouw en heiliger voor aboriginals, maar toch is Uluru populairder bij toeristen. Veel mensen gaan zelfs niet eens naar Kata Tjuta, maar we waren blij dat wij dat wel hadden gedaan. Er waren twee prachtige wandelingen door de kloven. ’s Avonds hebben we hier de zonsondergang bekeken, wat wederom erg spectaculair was. Toen moesten we nog een stukje rijden want gierig als we zijn gaven we de voorkeur aan weer gratis kamperen boven het resort.
Zondag was autorijdag: we moesten zo’n 400km naar onze volgende bestemming: Alice Springs. We hebben een kleine tussenstop+wandeling gemaakt bij de Henbury Craters, waar de brokstukken van een meteoriet 4 flinke kraters hebben geslagen (en een paar kleintjes). De stukken meteoriet zelf zijn weggehaald door de overheid voor onderzoek en display in museums. Onderweg maakten we ook nog een stop bij Stuart Well, een roadhouse met camelfarm. Daar verkochten ze dromedarisburgers (camel wordt gebruikt voor zowel kameel als dromedaris, maar Oz heeft alleen die laatste) en dat moesten we natuurlijk proberen. Voordat de Stuart Highway er was werd alles vervoerd per dromedaris. Er zijn nu ook wilde dromedarissen in Australië: maar liefst 3 miljoen. Dat is meer dan in het Midden Oosten! De burger was overigens niet bijzonder lekker. In Alice Springs hebben we kamp opgezet in een Holiday Park.
Maandag zijn we naar het reptielenhuis geweest, waar we zelf allerlei dieren mochten vasthouden. Hieronder waren Frank de goanna (soort varaan, liep gewoon los rond in het centrum), een ‘Bearded Dragon’ en een ‘Blue Tongue Lizard’. Favoriet was Susie Cute, een zogeheten ‘Olive Python’, die we om onze nek mochten hangen. Omdat het koudbloedige dieren zijn zoeken ze warme plekjes op, dus ze zijn graag met hun hoofd dicht bij jouw hoofd. In Veerle’s geval mond op mond, lief! Ook nog even hallo gezegd tegen Terry de 3,5 m lange croc. Na het reptielenhuis zijn we verder de stad gaan verkennen en naar een paar aboriginal-kunst galerieën. Die avond zijn we naar een Didgeridoo-show geweest in het ‘Starlight Theatre’. Heel bijzonder hoeveel verschillende geluiden je ermee kunt maken en echt hele mooie muziek. We mochten het ook zelf proberen maar overduidelijk zit dat talent niet in de familie.
Dinsdag hebben we eerst nieuwe schoentjes voor Falcky geregeld, die waren namelijk behoorlijk versleten inmiddels. Gek, we rijden toch helemaal niet zo veel?! Tijdens het aanmeten zijn wij naar de ‘School of the Air’ geweest, 120 leerlingen in een straal van 700 km; het grootste klaslokaal ter wereld. Sommige kinderen leven hier op zulke afgelegen plekken in de outback dat ze live lessen krijgen via internet, en dan hebben ze een tutor thuis voor hun huiswerk. Daarna Falcky opgehaald en door naar het oude telegraaf station. Dit is gebouwd in de jaren 20 en was in die tijd de eerste verbinding tussen noord en zuid-Australië. De ‘Overland Telegraph Line’ liep van Darwin naar Adelaide en was verbonden met Singapore (en zo de rest van Azië) via een lijn op de zeebodem. Vanwege deze telegraaf verbinding was Darwin tijdens de Tweede Wereldoorlog ook een geliefd doelwit van de Japanners, in een poging de verbinding te dwarsbomen. We hebben natuurlijk een bezoekje gebracht aan de ‘Royal Flying Doctors’, nog zo’n fantastische uitvinding om mensen in afgelegen gebieden bij te staan. De RFD service is opgestart door ds. John Flynn en is ook onderwerp geweest van een televisieserie die in elk geval onze ouders kennen. Ze verlenen medische hulp aan mensen in de outback en zijn ook een soort vliegende ambulance. Na dit interessante bezoek gingen we naar het ‘Desert Park’, met als highlight de ‘Free Flying Bird Show’. De vogels, waaronder een paar indrukwekkende roofvogels, vliegen vrij rond maar komen braaf aanvliegen voor de shows. Bij de entree zijn we nog mooi beschuldigd van fraude; we lieten allebei onze UvA studentenpas zien voor de studentenkorting. En daarop kregen we meteen als reactie: ‘Jaaah dat gaat niet door, dit is twee keer dezelfde foto!’ Hij had nog niet naar onze gezichten gekeken en schaamde zich ook wel een beetje toen hij erachter kwam dat we een tweeling zijn. Oeps!
Woensdag verlieten we de ‘grote’ stad weer om de vrije natuur in te trekken: de West MacDonnell Ranges. Deze oranje bergketen onderbroken door kloven was ooit de bodem van een inlandse zee maar nu omhooggestuwd door het op elkaar botsen van twee tektonische platen. Het is er prachtig groen met een paar permanente waterholes, een soort oase in het midden van de woestijn! We hebben een paar wandelingen gemaakt, de eerste bij Simpsons Gap. Dit is een mooi voorbeeld van een typische MacDonnell waterhole: het regenwater loopt door scheuren in de bergketen en verzamelt zich op een ondoordringbare grondlaag. Ook bij Ellery Creek Big Hole en Serpentine Gorge hebben we een paar mooie korte hikes gedaan met prachtige uitzichten over de valleien. We hebben ons kamp voor de nacht opgezet in Ormiston Gorge, waar we op de rangers na de enige kampeerders waren.
De volgende ochtend begonnen we bijtijds aan de Ormiston Pound Walk, een wat langere hike die sterk wordt afgeraden in de hitte. Aangezien het ALTIJD warm is besloten we hem dan in elk geval maar in de vroege ochtend te doen. We klommen omhoog naar de rand van de Pound, en liepen langs de kreek door Ormiston Gorge terug. Het laatste stuk moesten we tot aan onze kin door het water waden (het had pas geregend) dus tas boven het hoofd en plonsen maar! Het was niet eens echt verfrissend, het water was zelfs gewoon warm en de lucht zo’n 35°C. De stenen in de kloof hadden prachtige rode, oranje, blauwe en paarse kleuren. De volgende stop was Glen Helen Gorge, en daarna Redbank Gorge. Daarna waren we het lopen ook aardig zaten reden we terug naar Ellery Creek voor een nachtje bushcamping en een kampvuur!
Vrijdag de 30e reden we naar onze laatste stop in de ‘West Macs’: Hermannsburg. Zoals de naam al doet vermoeden: dit is een oude missie opgezet door Duitsers. Het is 1 van de eersten in Northern Territory en ook de geboorteplaats van Albert Namatjira, een beroemde aboriginal kunstenaar. Daarna reden we door naar de East MacDonnell Ranges (‘East Macs’), het vervolg van de MacDonnell Ranges aan de oostkant van Alice Springs. We kampeerden bij de Ross River, waar de eigenaar van de hofstede ons persoonlijk naar een prive-kampeerplek bracht bovenop een berg. We mochten mee eten met left-overs, kregen een zooi brandhout mee en hebben de rest van de avond op ‘ons’ bergje marshmellows zitten roosteren boven een flink vuur.
Zaterdag hebben we de rest van de East Macs verkend, met als hoogtepunt Trephina Gorge. Hier hebben we weer een mooie wandeling gemaakt over de rand van de kloof heen en dan door de kloof terug. Ook in het oosten waren een paar mooie kloven en waterholes, waaronder Emily Gap en Jessie Gap. Daarna vervolgden we onze weg noordwaarts, terug op de Stuart Highway. Onderweg zijn we nog gestopt bij de Red Centre Farm, waar ze wijn maken van mango’s. Wij hebben natuurlijk even een proeverij gedaan; heel zoet en heel lekker. We kampeerden weer bij een roadhouse, in het gehucht Barrow Creek.
Zondag was weer een hele auto-rij-dag, met een tussenstop bij Wycliffe Well-de UFO capital van Australië. Overal aliens en krantenknipsels over sightings en complottheorieën van de overheid. We kwamen door Tennant Creek, een voormalig goudzoekersdorp waarvan de mijn al lang gesloten is. We zijn ook gestopt bij de Devils Marbles, de overblijfselen van miljoenen jaren erosie van de zeebodem. Het zijn oranje, ronde stenen die op elkaar balanceren. Die nacht sliepen we bij de beroemde Daly Waters Pub, de eerste pub in outback Australië. Hun drankvergunning loopt sinds 1839 en ze doen al jaren elke avond een ‘Beef ‘n Barra’ BBQ. We hebben ons tentje opgezet op het grasveld en hebben ons maar aan zo’n BnB gewaagd. Barra is kort voor barramundi, een hele populaire vissoort hier. Lekker om weer een keertje ‘echt’ te eten en niet uit blik. Nog wel drie keer een stroomuitval gehad omdat de vele vleermuizen aan het spelen waren op de elektriciteitskabels. Die vliermuizen krijsten ook zo hard dat we die nacht niet echt super geslapen hadden.
Maandag weer vroeg op pad, eerst naar het ‘vliegveld’ van Daly Waters. Dit was het eerste commerciële internationale vliegveld van Australië, met vluchten naar Singapore en Bali. Het heeft ook een grote rol gespeeld in de Tweede Wereldoorlog. Het is nu niet meer in gebruik maar omgezet in een soort museumpje. In de hangar hangen nu foto’s en informatieborden over het harde leven in die tijd. De volgende stop was de ‘Pink Panther Pub’, waar ze zowaar een klein dierentuintje hebben. Daar kun je gratis wat inheemse reptielen en vogels bekijken. Daarna stopten we in Mataranka, wat bekend staat om zijn hot springs. Het zijn geen thermale baden (opgewarmd door vulkanische activiteit) maar het grondwater daar heeft gewoon door het klimaat een constante temperatuur van 32°C. Het is sowieso een heel mooi plekje tussen de palmbomen. Hier hebben we een heerlijke stop doorgebracht om daarna door te rijden naar Katherine waar we ons kamp voor twee nachten opzetten.
De grootste trekpleister bij Katherine is de Katherine Gorge oftewel Nitmiluk. Door dit stelsel van kloven stroomt de prachtige groene Katherine River. We wilden er eigenlijk kanoën, maar dat mocht niet omdat het water hoog stond. En in dat geval kunnen de aggressieve enorme estuariene krokodillen de rivier opzwemmen. Opgegeten worden lag dan weer niet in onze planning. Dan maar weer hiken. In totaal 9km, wat normaal niks zou zijn. Maar in de brandende zon met zo’n hoge luchtvochtigheid was het nog wel even afzien, zelfs vergeleken met de woestijn. Ze raden ook aan om hier in NT heel veel te drinken en dat doen we dan ook: minstens 4 liter per persoon per dag. En dan nog hebben we af en toe verschrikkelijke dorst! Gelukkig werd onze wandeling beloond met een paar prachtige lookouts en aan het eind de Southern Rockhole: een poel uitgeslepen door een forse waterval. Hier konden de crocs niet komen en konden we dus ongestoord zwemmen in het heerlijke koele water en van de rotsen springen. We wilden eigenlijk niet meer terug lopen. ’s Avonds hadden we heerlijk weer barra van de BBQ; onze buurman Matt was wezen barra-vissen en had meer dan hij op kon.
Die woensdag was het weer tijd om verder te trekken, noordwaarts naar het Litchfield National Park. In het park hebben we enorme termietenheuvels gezien, in kathedraalvorm. Deze enorme heuvels zie je overal in NT in het hoge gras, maar hier waren ze echt gigantisch. Een andere soort termieten (‘Magnetic Termite’) hier maakt hele speciale heuvels: het zijn een soort platte vlakken die met de ene kant naar het noorden en de andere kant naar het westen staan. Dit zorgt er voor dat in dit superwarme klimaat de temperatuur in de heuvels redelijk constant blijft. Termieten zijn in NT ook de ‘number 1 grazers’, normaal gesproken zijn dit runderen. Aangezien die hier niet voorkomen zijn termieten de voornaamste graseters. Die avond hebben we ons tentje opgezet bij Florence Falls, een bush-campsite in het hart van Litchfield.
Dankzij het gehuil van dingo’s (klinkt als wolven), krijsende vleermuizen en de warmte niet bijzonder goed geslapen en vroeg op. De buitentent laten we tegenwoordig gewoon weg, we slapen dus praktisch buiten in een soort klamboekoepel. We begonnen aan de andere kant van het park bij The Cascades, een wandeling naar een paar lage watervallen over oranje steen. Erg mooi, maar het haalde het niet bij de volgende stop: Wangi Falls. Deze gigantische waterval eindigt in een poel waar je normaal mag zwemmen, maar nu was de kreek buiten de oevers getreden en was er dus weer gevaar voor krokodillen. Er was wel een mooie wandeling omhoog, boven de waterval langs en aan de andere kant weer naar beneden. De waterval creëerde een klein stukje moessonwoud (nog natter dan regenwoud) met prachtige vlinders. Na een korte stop bij de hoge Tolmer Falls kwamen we ergens waar we wel mochten zwemmen: Buley Rockhole. Deze kreek heeft meerdere kleine poeltjes waar je heerlijk in kunt zwemmen en zitten. Heerlijk verfrissend en in de hitte ook de enige plek waar het draaglijk is. Terug bij onze tent wachtte een gigantische spin ons op: een wolfspin.
Vrijdag begon goed met een heerlijke duik na het ontbijt! Bij Florence Falls was het aanzienlijk drukker dan bij Buley, maar het was er dan ook prachtig. Er kwam zo veel water van de rotsen naar beneden dat het veel moeite kostte om tot onder de waterval te zwemmen. Met moeite rukten we ons los om naar Darwin te rijden. We zetten onze tent op bij Shady Lane, een caravan park dat inderdaad een beetje shady was… Hele kleine plekjes voor je tent en ontzettend veel irritant prikkende ‘midgies’ (hele kleine zandvliegjes). Nu, een paar dagen later, lijkt het nog steeds alsof we de mazelen hebben. We zitten onder de rode jeukende bultjes! ’s Avonds gingen we drankjes doen met Joy en Lou, twee Melbourners die we in Katherine hadden ontmoet. Er was vanwege Goede Vrijdag maar een bar open en daar was het dus gezellig druk.
We besloten om maar niet bij Shady Lane te blijven maar te verhuizen! Daarna gingen we naar Crocosaurus Cove, een kleine dierentuin in downtown Darwin, wat gewijd is aan crocs en andere reptielen. Ze hebben een paar grote exemplaren die enthousiast reageren op gevoerd worden. Je kon ook zelf de kleintjes voeren met een hengeltje met een stuk vlees eraan. Al happend vliegen de mini crocs in het rond. Hilarisch! Ook leuk happend: batfish. Een klein stukje baai van Darwin is gereserveerd voor het voeren vissen bij hoogtij. De batfish slobbert het brood zo uit je hand. Daarna brachten we een bezoekje aan de Stokes Hill Wharf, waar je op de pier onder het genot van vers gevangen fish ’n chips de zonsondergang kunt bewonderen. Daarna gingen we nog ‘even’ naar Mitchell Street, de party area van Darwin. Daar ontmoetten we weer wat gezellige Melbourners dus uiteindelijk waren we om 4 uur terug bij de tent.
Zondag was het Pasen! Na een ontbijtje met ei en bacon (ei moet toch op Pasen) hebben we nog wat door de stad gestruind maar alles was dicht. We zijn er ook achter gekomen dat chocolade-eitjes een minder groot succes zijn in de tropen. De laatste paar konden we letterlijk uit het folietje slurpen. Die avond zijn we op een oud parelschip op een sunset cruise geweest. Wijntje, toastje, kaasje en zonsondergang over de baai. Wat wil je nog meer?!
Maandag was het dan tijd om Darwin te verlaten. We gingen eerst nog even langs de haven voor een wandeltochtje door de tunnels. In de Tweede Wereldoorlog realiseerde de stad Darwin zich dat ze niet helemaal voorbereid waren op een luchtaanval. Toen ze in 1943 zo’n 59 keer werden gebombardeerd leek het ze handig om hun olieopslag te verplaatsen van boven de grond naar onder de grond. Ze groeven (met de hand!) twee gigantische tunnels met een gezamenlijke capaciteit van 5 miljoen liter. Helaas waren ze een beetje te laat begonnen; de oorlog was afgelopen voor de tunnels klaar waren. Ze zijn dus nooit echt gebruikt. Maar wel een trekpleister voor toeristen erbij! En als ze nog een keer gebombardeerd worden hebben ze ze vast. We brachten ook een bezoek aan het museum van Darwin bij Mindil Beach. Hier waren uiteenlopende exposities, met onder andere aboriginal kunst en natuurgeschiedenis. Onze bubbel barstte hier ook: de aboriginal kunst die we zo mooi vinden met al die stipjes is helemaal geen traditionele kunst! De puntjes kwamen pas op rond de jaren ’70. Stom, want het algemeen heersende idee is dat als er geen puntjes zijn, het geen echte aboriginal kunst is! Na deze desillusie vertrokken we naar Kakadu NP. Onderweg staken we de Adelaide River over, waar een bijzondere trekpleister te vinden is: de Jumping Crocs! Net als in het park in Darwin laten ze hier de crocs springen voor hun eten. Dit is iets wat ze natuurlijk doen, ze kunnen zelfs een vogel in volle vlucht uit de lucht happen! In dit geval hoeven ze alleen een varkenssnuit van een touwtje te happen maar het effect is er niet minder om. Een 5 meter lange croc die bijna helemaal omhoog het water uit komt zetten is toch best indrukwekkend. De boot had een beneden dek die helemaal afgesloten was met glas, en een bovendek. Je mocht ook absoluut NIET wisselen van dek als de boot stillag want crocs zijn meester in het stalken en weggrissen van passagiers zonder dat iemand het door heeft. Eng!
We kwamen in het donker aan op een kampeerplaatsje bij Malabanjbanjdju (probeer dat maar eens 10 keer snel achter elkaar te zeggen). Vol goede moed begonnen we alsnog te koken, maar er waren zo ontzettend veel vliegjes en muggen dat het onmogelijk was ze uit het eten te houden. We hebben alles de auto in gesmeten en hebben in de tent heerlijk droge crackers gegeten. Omdat we alleen in ons binnententje slapen is het net alsof je in de buitenlucht slaapt. De muggen zoemen dus om je oren en je weet niet of ze binnen of buiten de tent zitten. Tel daar het geluid van huilende dingo’s, vloekende Russen (‘Aaaaahrg Australiski survival… repellent…’) en tropische warmte bij op en je hebt een hele lange nacht.
De volgende ochtend zagen we honderden (niet overdreven!) muggen op het gaas zitten die naar binnen loerden. Ze zaten gewoon te wachten tot we onze tent uit kwamen en gaan blijkbaar niet naar bed als de zon op komt. AAAAAAAAAAAAH! Ochtendgymnastiek: rennen naar de auto voor de anti-muggen spray. Tot overmaat van ramp bleek ook nog een van de tentstokken gespleten. Ons arme tentje ziet er nu wel heel zielig en scheef uit, zeker zo zonder buitentent. Het praktisch gratis kamperen was het ons toch niet waard, dus we hebben onze tent gepakt en zijn verhuisd naar een ‘echte’ camping. Iets duurder, maar wel een douche, keuken en heel weinig mozzies. Onze eerste stop in Kakadu was Bowali, het bezoekerscentrum. Daar hadden ze informatie over de verschillende delen van Kakadu, wat zo groot is als heel Nederland (!), in prachtige displays. Daarna zijn we naar Jabiru geweest. Dit is de enige stad in Kakadu en de enige reden dat hij er is in een National Park, is dat de stad er al was toen Kakadu op de Wereld Erfgoedlijst kwam. Kakadu is officieel teruggegeven aan de aboriginals, samen met het gebied Arnhemland (nog 5 keer zo groot als Kakadu). Officieel is Jabiru geen deel van het park, terwijl het er midden in ligt. In Jabiru hebben we Ducttape gekocht, die hopelijk de levensduur van ons tentje weet te rekken tot ons vertrek. Volgende stop was Nourlangie. Deze rots is veel gebruikt voor aboriginal rotsschilderingen. Tot onze aangename verrassing was het dit keer eigenlijk heel mooi! We zijn ook nog naar twee lookouts geweest; twee keer een flinke klim bij 35 graden en volle zon. Terug op de echte kampeerplaats namen we dan ook blij een duik in het zwembad! In Kakadu is het in ‘the Wet’ niet veilig om te zwemmen vanwege de crocs (en in ‘the Dry’ eigenlijk ook niet). De vuistregel van de ‘Territorians’ (bewoners van NT) is ‘Does it have tiles? No? Don’t swim!’. En dat zegt genoeg. Wij denken ook nog maar een keer aan de jumping crocs… Wij gaan voor tegeltjes!
De volgende dag moesten we vroeg op voor onze tour! Lindsey, onze tourguide, gaf ons wat uitleg over de Ranger uranium mijn. We gingen er niet in, maar vanuit de bus konden we helemaal naar beneden de 220m diepe put in kijken. Dit ook weer iets raars midden in een National Park; de lokale aboriginals (Bininj) geven ook geen toestemming voor andere mijnactiviteiten, maar wel om deze voort te zetten. De Bininj noemen het gebied al duizenden jaren ‘sickness country’ en geloven dat verstoringen ernstige natuurrampen tot gevolg hebben. Eigenlijk hebben zij dus heel vroeg al stralingsziekte opgelopen. Na de mijn reden we naar Ubirr. Hiervoor moesten we twee keer door hoog water rijden. Gelukkig was onze tourbus een halve tank. Het is normaal dat de wegen hier in the Wet onder water staan. Arnhemland is ook maar 4 maanden per jaar bereikbaar met de auto. Ubirr is een speciale plek voor de Bininj, met rotsschilderingen die gedateerd zijn tot wel 50.000 jaar geleden. Er zijn maar een paar plekken open voor publiek, want volgens aboriginal traditie moeten mensen het recht verdienen om meer informatie te krijgen over hun gebruiken en geschiedenis. Je moet ingewijd worden en deelnemen aan ceremonies om sommige kennis te krijgen. Er zijn ook aparte verhalen en plaatsten voor mannen en vrouwen, die ook echt geheim gehouden worden. We hebben tijdens de tour ontzettend veel geleerd over Bininj cultuur en cultuur van aboriginals in het algemeen. Bij Ubirr was ook een prachtige lookout, waar een scene uit Crocodile Dundee is opgenomen. Na de lunch gingen we op een boottoer over de East Alligator River. De stomme pioniers dachten dat de rivier vol zal met alligators, maar er zitten hier alleen krokodillen. De East Alligator River vormt de grens tussen Kakadu en Arnhemland. Drie keer raden waar de eerste pioniers vandaan komen… De Bininj-term voor non-aboriginal is Balanda, wat afgeleid is van het woord ‘buitenlander’! Zo kwamen we ineens wat Nederlandse historie tegen. Zoals Tex zei in zijn reactie op onze vorige blog zou het fantastisch zijn om Arnhemland te bezoeken. Helaas is dit met eigen vervoer alleen mogelijk in the Dry, en dan nog alleen bij laagtij. De rest van de tijd staat de East Alligator River over de weg heen. In the Wet is het wel mogelijk om een tour te doen naar Arnhemland, maar met permits en alles kost dat $1000+. Jammer genoeg iets boven ons budget… Tijdens de boottour kregen we van onze Bininj gids uitleg over bush tucker (voedsel uit de bush), het gebruik van verschillende planten, en veel meer over Bininj gebruiken en cultuur. Super interessant! Onderweg ook nog 3 crocs gezien.
En dan zijn we ‘alweer’ bij vandaag! Vandaag hebben we Kakadu verlaten, nadat we eerst nog wat korte wandelingen en lookouts hebben bezocht. Een heleboel wegen en wandelpaden zijn helaas nog gesloten, vanwege de hoge waterstand en het daarbij horende croc gevaar. We wisten dit van tevoren en daarom hadden we de hele hoek rondom Darwin bijna overgeslagen, maar we zijn heel blij dat we er toch heen zijn geweest. Het heeft ook wel wat om alles in the Wet te zien, met de floodplains vol water (en waterlelies!) en alles groen. We hebben een flink stukje doorgetuft en zijn voor de nacht weer in Mataranka bij de hot springs. De komende dagen zullen we veel aan het rijden zijn richting Cairns waar we op de 21e al Katrina en Paul ontmoeten! Cairns is hier nog zo’n 2300km vandaan, maar vergeleken met de afstand die we al afgelegd hebben is dat appeltje-eitje natuurlijk.

Vandaag is het 13 April, wat betekent dat we nu over precies 4 weken weer thuis zijn! Jullie hoeven niet lang meer te treuren dus.

Heel veel liefs,

V&J